Een nieuw thema: Contrast

Geplaatst op: 10 november 2011 door schrijfbloq in Thema: Contrast
Tags:, , ,

“You say yes, I say no 
You say stop and I say go, go, go 
Oh, no 
You say goodbye and I say hello 
Hello, hello 
I don’t know why you say goodbye 
I say hello 
Hello, hello 
I don’t know why you say goodbye 
I say hello “

Een couplet vol met tegenstellingen. Zo begint het lied ‘Hello, goodbye,’ van The Beatles.

Vandaag een eerste verhaal binnen het thema van de maand November: Contrast. Het verhaal is geschreven door Lucas Bezembinder en gaat over tegenstellingen in de taal. Dit is slechts een van de vele mogelijkheden om dit thema invulling te geven. Wij willen jullie dan ook vragen een verhaal of gedicht binnen dit thema te schrijven. Verras ons en de lezers met een bijzondere invalshoek.

Stuur je verhaal naar: lucas.bezembinder@online.nl

Advertenties

Vriendschap

Geplaatst op: 7 november 2011 door schrijfbloq in Dichtsels, Thema: Relaties

Je bent mijn hele leven bij me

kent mijn hoogtepunten

maar ook mijn dalen heb je mee beleeft

soms haatte ik je

doch even zo goed had ik je lief

waar ik ook ging

daar was jij

verstoppen had geen zin

want je wist zonder zoeken waar ik was

dat je nog lang bij me blijft is zeker

ik ben met jouw een vriendschap aangegaan

voor mijn hele leven

lief lichaam

daarom zal ik je vertroetelen

koesteren en verwarmen

een lang en gelukkig leven zal dat niet garanderen

maar het valt te proberen.

Dit is een bijdrage van gastschrijver Elisabeth van der Ark

Op straat

Geplaatst op: 24 oktober 2011 door Geert van den Munckhof in Thema: Relaties

‘Op straat’ is het verhaal van gastschrijfster Uta Halbreiter.
Ze legt de relatie tussen het verhaal zelf en het ontstaan ervan.

Op straat

En de sta je dan, met je hele hebben en houden op straat. Je zet je oude fiets in de gang van je nieuwe woning, en zoals hij daar staat, tegen de muur waarop nog het behang van de vorige bewoners plakt herken je hem bijna niet. Wat zijn de handvatten versleten… Niks nieuwe start, als je al je oude spullen meeneemt.

Op straat ga je verder met het uitladen van de laatste verhuisdozen. “TROEP” had je in haastige hanenpoten op het karton gekrast nadat je al je spullen had opgeborgen en ineens een woord moest verzinnen om op de dozen te schrijven. Zo doe je dat toch als je verhuisd? Je schrijft erop wat erin zit, zodat je op het nieuwe adres alles gelijk op de juiste plaats kunt zetten. Ook al ben je nog niet eens zeker dat het nieuwe adres de juiste plaats voor jou is. Toen leek “TROEP” grappig om erop te schrijven. Nu heeft het iets triests: Je hebt zeven dozen met troep uit je oude leven mee genomen. En veel meer dan die zeven dozen en je oude fiets heb je goed beschouwd ook niet.

Je, wie is dat eigenlijk, hoor je je ineens vragen, stilletjes, in je hoofd. Maar luid genoeg om er niet omheen te kunnen. Wie is “je”? Je ziet je spiegelbeeld in de viese ruit van het woonkamerraam. Ramen lappen zou je nu ook moeten leren. Nooit gedaan. Nooit gedacht ook dat je´t ooit zou moeten doen. Je, wie is dat toch? De vraag blijft door je hoofd spoken. En je kijkt nog eens naar het raam, vluchtig eerst, verlegen bijna, totdat je echt kijkt. En jezelf ziet, een man van begin veertig, spijkerbroek, t-shirt, sportieve schoenen – al bijna 40 jaar is dit de buitenkant van je je. Alleen die oude kop bovenop, die is pas van de laatste jaren. Het haar dat steeds minder lijkt te worden en de rimpels die steeds meer lijken te zijn. Je ziet je daar staan, in de vieze ruit van je nieuwe woning. Dat ben ik, denk je.

Achter je fietst een blonde vrouw door het spiegelbeeld in de ruit, een leeg kinderstoeltje op haar fiets en je kijkt haar na. Vrouw met kind, dan maar niet. Alhoewel, zij kan ook gescheiden zijn, net aan een nieuw leven beginnen net als jij. Het schiet je zo maar door je hoofd. Zo ben je gewoon. Je kijkt, je denkt – of juist niet – en ineens zie je je aan tafel zitten met die vrouw en haar kind. En zo is het weer over. Een gedachte, meer niet.

Op weg naar binnen zie je je fiets weer in de gang staan. Nog geen minuut later zit je erop, fiets je door de nieuwe omgeving van je nieuwe leven, dat helemaal niet zo nieuw zal zijn. Je hebt behalve zeven dozen troep en je oude fiets ook jezelf mee genomen uit je oude leven. Dus, wat verwacht je eigenlijk?

Hoe langer je fietst, hoe verder je je verwijdert van je nieuwe woning, van de verhuizing, van alles, hoe dichter je bij jezelf komt. Op een gegeven moment draaien alleen nog maar je voeten op de pedalen, niet meer de gedachtes in je hoofd en ben je eindelijk alleen met jezelf. Je bent een man op een fiets. Dat is wat je bent. Je fietst. Dat is wat je doet. Niet meer en niet minder.

Je fietst inmiddels over een kronkelig stuk landweg en weet allang niet meer waar je eigenlijk bent. Er zullen wel ooit weer borden komen die de weg terug naar jouw nieuwe woonplaats wijzen. En als je nu gewoon doorfietst? Die gedachte ken je. Van jaren geleden, toen je als 8-jarige jongen woedend thuis weg was gefietst na een ruzie met je moeder. Je boosheid in de trappers stampend had je je voorgesteld hoe het zou zijn als je nooit meer terug kwam. Dat je moeder iedere avond zou huilen als zij jouw leeg bedje zag. Toen ging je zo op in jouw medelijden voor je ouders dat je uiteindelijk terug fietste. Dat was toen. Met een klap besef je hoe anders de situatie nu is: Je zou gewoon door kunnen fietsen. Niemand die je zal missen. Je ex, je vrienden, je broer – allemaal zullen ze hun eigen leven verder leven. Na een tijdje zou jij niet meer zijn dan een apart verhaal dat ze aan iemand vertellen die ze nu nog niet kennen.

De ontdekking brengt je in de war. Voor wie en wat fiets je eigenlijk weg als je alleen maar jezelf ermee raakt? Jezelf, die je toch overal en altijd weer tegen komt, hoe hard je ook fietst. Jezelf, waarvan je nog steeds niet weet wie dat eigenlijk is. De gedachten zijn weer terug en draaien door je hoofd, net op het moment dat ook weer borden langs de weg opduiken. Je bent dichter bij huis dan je denkt. Nog even doortrappen en je bent thuis, of ja, wat ervoor door moet gaan. Je zet je fiets in de gang tegen de muur en scheurt met het stuur een stukje van het behang los. Je staat daar maar en kijkt er naar. Het eerste teken van een herinnering aan jou in deze woning. Het raakt je. Een stuk behang. Het moet niet gekker worden.

 

Op straat (het ontstaan van het verhaal)

Net mijn dochter succesvol bij de peuterspeelzaal afgeleverd hebbend, fiets ik – de hond aan de riem – een bocht om en zie in een flits een man, een busje en een fiets. Die is aan het verhuizen, denk ik. Waarom zich juist deze indruk aan me opdringt, is me later een raadsel: De man had volgens mij ouderwetse wielrenhandschoenen aan, hij wilde waarschijnlijk gewoon ff fietsen. Er waren geen verhuisdozen te zien, het busje stond er waarschijnlijk gewoon geparkeerd. Maar dit denk ik allemaal pas later. Op de fiets voel ik alleen maar: Dit is een begin van een verhaal. Een man en een fiets. Hij verhuist, alles is nieuw, alleen zijn fiets niet. Maar die ziet er wel anders uit in zo´n nieuwe omgeving… Leuk, dit wordt dus een verhaal over verandering, over een nieuwe start in een leven. Wat voor leven? Was hij getrouwd? Heeft hij kinderen? Hoe is het zo ver gekomen dat hij alleen – want zo ver is het verhaal me inmiddels duidelijk – gaat wonen? Terwijl de hond rent en ik fiets proef ik de verschillende mogelijkheden van het verhaal.

Weer thuis lees ik in de VPRO-gids een stukje over een Chileense regisseur die het belangrijk vindt om zijn acteurs – en kijkers – in het ongewisse te laten over het verleden van zijn karakters. „Daar moet iedereen zelf maar een eigen invulling aan geven“, zegt Pablo Larraín, want anders „… hoef je als kijker niets meer te doen. Dan weet je alles al.“ Dat is mooi. En lekker makkelijk ook: Mijn man krijgt geen verleden. Hij verhuist. Waarom? Vul zelf maar in.

Ik hak het begin van het verhaal in de computer en denk de hele dag na over wat er verder zal gebeuren. Ik kijk in gedachten nog eens bij het busje, bij de man. Wat zit in zijn verhuisdozen? Wie helpt met verhuizen? Heel even zijn ze met z´n drieen, heeft hij een koelkast op marktplaats gekocht, die het niet doet, zodat zijn vrienden uiteindelijk eerder afhaken, want warm bier… Nee, toch maar terug naar de man, geen vrienden, geen koelkast, geen afleiding.

Wie is die man, vraag ik me af. Ineens vraagt hij zich dat zelf af. Ziet zijn spiegelbeeld in de ruit van zijn nieuwe woning. En ziet een vrouw met een kinderstoeltje op haar fiets voorbij fietsen, dat ben ik. Heel even wordt hij afgeleid van zijn vraag – en ik van zijn verhaal – dan denkt hij verder en ik ook. „Wie ben ik?“, klinkt een beetje afgezaagd. Wie is „je“? Dat klinkt al stukken beter. Het „je“, wat is dat eigenlijk? Als Duitse ben ik nog steeds niet helemaal aan het frequente gebruik van dit kleine woordje in het Nederlands gewend. Lijkt me leuk om het nu een keer in een verhaal te achterhalen.

s´Avonds in bed lees ik nog een stukje in het boek van Esther Gerritsen dat ik af en toe stuksgewijs aan het herlezen ben. Steeds maar één of twee pagina´s, om er langer wat aan te hebben, zo prachtig is het. En zo compact: zo veel moois op zo weinig pagina´s. Terwijl ik het wegleg schiet me ineens het begin van het boek weer te binnen: het verhaal over het „je“. Oooooh, zou ik mijn idee voor de vraag „wie is je?“ hier vandaan hebben???

De volgende dag wil ik verder schrijven, moet ik verder schrijven, de deadline dringt. Maar ik blijf hangen. Wat moet er nu gebeuren? Ik heb een man, een fiets, een verhuizing. Ik heb een levensvraag. En nu? Ja, zie hier maar uit te komen. Het idee is te mooi om het te veranderen. Maar iets moet er gebeuren, het is nog geen verhaal. Ik herlees het begin nog een keer en ineens is alles duidelijk: De fiets moet weer terug in het verhaal. Hij gaat fietsen. En terwijl de man kilometers op de fiets maakt, maken mijn hersenen, mijn vingers op de toetsen regel voor regel aan. Dit wordt mooi. Dit is it. Hij verdwaalt, hij herinnert, hij vindt de weg terug, hij komt aan. Ineens is er dat stuk behang, los gescheurd door zijn fiets. En er is die zin: Het moet niet gekker worden. En nu eindigen.

Nee, dat kan toch niet, met zo´n zin? Toch moet het nu even, want er moet ook gekookt en gegeten worden. Na het eten, met de kinderen in bed, blader ik bij een kopje koffie door de krant. Blijf bij een stukje over Sergio Caballero hangen, filmmaker en hyperactieve duizendpoot die voor zijn creativiteit alleen op zijn gevoel afgaat. Na het lezen van het stuk over zijn compleet verschillende activiteiten ben ik beduusd, maar weet een ding zeker: Mijn gevoel klopt. Juist met die zin is mijn verhaal af.

De relatie tussen ‘stay hungry, stay foolish’ en meer…

Geplaatst op: 10 oktober 2011 door Geert van den Munckhof in Thema: Relaties

Stay hungry. Stay foolish

En nou moet het er dan maar gewoon van komen. Het is kwart voor twaalf. Ik heb de zaterdagkranten uitgelezen. Voor inspirerende onderwerpen, terwijl die er eigenlijk afgelopen weken en dagen al volop waren. Steve Jobs met zijn credo ‘Stay hungry, stay foolish’. Woorden uit zijn Stanford-speech die ik afgelopen woensdag, in de middagpauze, thuis op mijn iPhone via YouTube heb gezien en beluisterd. Indrukwekkende woorden, als conclusie op drie richtinggevende gebeurtenissen uit zijn leven. Gebeurtenissen die achteraf gezien een duidelijke relatie met elkaar hadden. ‘Connecting the dots’ was de mooie beeldspraak van Jobs.  Mocht je de speech nog niet bekeken hebben, dan is het een aanrader. Mag ook gewoon op een Windows-computer, trouwens…

Woensdag dus al geïnspireerd geraakt. Door de woorden van een man die ze zelf na woensdag nooit meer in levende lijve zal uitspreken. President Obama herdacht Jobs als een van de eersten. Jobs maakte de informatie-revolutie niet alleen toegankelijk, maar ook nog intuïtief en leuk, aldus de president. Niet geheel onbedoeld denk ik, vertolkte de president, of één van zijn tekstschrijvers, daarmee het ‘stay hungry, stay foolish’-gevoel uit de Stanford speech van Steve Jobs. ‘Jobs was moedig genoeg om anders te denken, onverschrokken genoeg om te geloven dat hij de wereld kon veranderen en getalenteerd genoeg om dat ook te doen’. Als de president van America dat van je vertelt, wanneer je net dood bent, dan kunnen heel veel mensen daar nog iets aan hebben. Dus nog een keer en dan internationaal: ‘Brave enough to think differently, bold enough to believe he could change the world, and talented enough to do it’…

Het inspireert enorm. Kernachtige uitspraken die je iets meegeven. Die je even stil laten zijn van besef en van herkenning. Waar je ook best even op mag kauwen, om de ware impact ervan te doorgronden voor jezelf. Nog inspirerender wordt het wanneer ik merk dat verschillende uitspraken een relatie met elkaar hebben. Een week eerder was er zo’n moment. ‘Fun, fight and focus’ waren de kernwoorden in de verhalen van twee vrienden. De een, ploegleider van de Rabobank Wielerploeg en de ander Echte warme bakker in Horst. Ze zaten naast elkaar op barkrukken en ik mocht hen wat vragen stellen. Frans Maassen en Marc Derix. Fun, fight en focus waren door hen beiden op geheel eigen wijze vertaald. Plezier houden, er voor gaan en gericht blijven op wat je wil bereiken. Met doorzettingsvermogen, gedrevenheid en passie. En of je dan een wereldkampioen in Engeland aflevert, of een prijswinnend broodje bakt, maakt vervolgens totaal niks uit.
Zó mooi.

Weer een andere situatie en nog langer geleden. Mijn afsluitend jaar van de logopedie-opleiding in Eindhoven. Het jaar van de verplichte scriptie terwijl ik daar maar steeds geen goed onderzoeksonderwerp voor kon vinden. Alsmaar knaagde het gevoel dat ik de kern van wat ik wilde beschrijven niet kon bereiken. Ondertussen was ik onderzoeksmatig al wel bezig met het filmen van de interactie van spelende peuters. Sommige met taalproblemen, andere niet. Ik voelde dat het materiaal dat ik zo verzamelde de kern bevatte van wat er in mijn scriptie moest komen. Pas na een gesprek met mijn scriptiebegeleidster van destijds, Dieneke Gärtner-Grijpma (hoe zou het met haar zijn…), zag ik de relatie tussen de praktijk en de theorie. Inééns zag ik de kernboodschap heel scherp. En herken die opnieuw als ik terugdenk aan de fun, fight en focus van een paar dagen geleden. Opnieuw een inspirerende relatie:

Er was toen al fun, bijvoorbeeld bij het opnemen van een pianospelende peuter. Het manneke speelde zichzelf even letterlijk van deze wereld omdat hij zó in zijn muzikale spel opging dat hij mij en mijn videocamera totaal niet meer zag staan. Het ventje deed me het ‘gevecht’ met mijn scriptie even helemaal vergeten. En na het gesprek met mijn begeleidster was er plotseling de focus. In een keer was het plezier waarmee peuters speelden en leerden ook mijn plezier en leerproces in het maken van een videofilm. Mijn leerproces om tot een scriptie te komen bleek zo vergelijkbaar met en ook net zo afhankelijk van dezelfde basisvoorwaarden als het leerproces van peuters. De faciliteiten en ervaringen die ik een periodelang had om mijn doel te bereiken waren zo uitwisselbaar met de mogelijkheden en belevenissen van peuters. Figuurlijk sowieso maar zelfs soms letterlijk,  in de praktijksituatie van wat we destijds het ‘Peuterpracticum’ noemden.
Hoe? De kern lag in het plezier en de speelse aandacht voor de praktijk. De kracht van het dagelijkse doen lag in de nieuwsgierigheid en in de ervaringen zelf. Zoals een kind dat niet anders kan dan spelenderwijs ‘onderzoeken’ en leren, zo kon ik mijn verhaal in een keer vorm geven. Mijn scriptie kreeg een inhoud die paste bij het gebruik. Door samenspel. Van vorm, inhoud en gebruik. Door dat samen te doen. ‘Joint action, joint attention’ oftewel gezamenlijke actie en gezamenlijke aandacht. Ook zo’n oneliner die me sindsdien niet meer heeft losgelaten. Jerome Bruner sprak die uit, als elementaire samenvatting van zijn leer- en ontwikkelingstheorie. Zó herkenbaar waar.

Tot zover de geschiedenis. Mijn geschiedenis. Terug naar de dag van vandaag. Naar het moment van nu. En de ogen richten naar de toekomst. Geïnspireerd blijven door anderen. Gretig blijven naar kennis. Stay hungry. Plezier houden in wat je doet en, gek genoeg, genieten van je ervaringen. Stay foolish. Weten dat niet altijd alles zonder slag of stoot zal verlopen en dan toch je koers proberen vast te houden. Met plezier.  Fun, fight and focus. Samen met anderen. Joint action. Joint attention.

Dan kan de regen van vanochtend nog zo indrukwekkend de herfst onderstrepen, ondertussen laat de zon heel even zien dat die herfst niet méér is dan een onduidelijke voorbode van de lente. Ook een relatie. Heerlijk toch? Het is kwart voor twee.

Bij het thema Relaties schieten er een heleboel mogelijkheden door m’n hoofd: man/vrouw, ouder/kind, werkgever/werknemer, baasje/hondje. Daarnaast ook de vele aspecten die belangrijk zijn in relaties, zoals vertrouwen, respect en gelijkwaardigheid. We zijn ook allemaal afhankelijk van elkaar in een relatie. Zolang alles een beetje in balans is, gaat het goed, maar soms lijkt de balans voor de buitenwereld een beetje zoek te zijn. Dan geldt eigenlijk het belangrijkste, haal je beiden eruit wat je nodig hebt.

Een mooi voorbeeld hiervan is de relatie van mijn ouders. Als kind zijnde vroeg ik me altijd af wat hun in vredesnaam bond. Altijd onderhuidse ruzies, steken onder water, elkaar proberen af te troeven en dat alles onder het mom van ‘wij maken geen ruzie hoor wij hebben slechts een meningsverschil’. Tuuurlijk, toen ik eenmaal het huis uit was en ik zag dat die twee-eenheid gewoon bleef bestaan en dat ik eindelijk begreep dat het allebei volwassen mensen waren die konden beslissen om er uit te stappen maar dat niet deden, kon ik het loslaten. Ze zochten het maar lekker uit met z’n tweeën. Blijkbaar werkte het voor hen op deze manier.

Een van de bijzonderste, -lees ingewikkeldste – relaties die je kunt hebben is een ouder/kind relatie. Nou geldt natuurlijk voor iedere relatie dat er groei en ontwikkeling in moet zitten, maar bij een ouder/kind relatie is dat wel heel belangrijk omdat het een natuurlijk gegeven is. Een kind wordt geboren als baby en dat ie schattig is, is geen toeval. De natuur heeft er voor gezorgd dat baby’s en puppies, kortom alles wat jong en afhankelijk is van overleven van anderen schattig is. Dat heeft te maken met de stand van de ogen etc etc is mij eens verteld door een bioloog. Die schattigheid verdwijnt naarmate de afhankelijkheid van overleven minder wordt en daar zit vaak het probleem. De afhankelijkheid verandert en dat kan voor sommige mensen erg schokkend zijn. Maar ook al ben je er op voorbereid en heb je gelijkwaardigheid en het tot volle ontwikkeling brengen van de potentie van je kind vooropgesteld, dan toch word je soms nog verrast door die veranderingen Ze kunnen je laten twijfelen. Maar ook die emoties betekenen groei, mits je er natuurlijk voor open staat.

Afhankelijkheid is er natuurlijk in alle relaties, maar ook daar geldt, ‘gun je elkaar die groei?’ Kan de baas het aan dat zijn rechterhand hem voorbij groeit qua kennis en inzicht? Kan de vader het aan dat de dochter met de ogen draait als hij een poging doet om haar wiskunde te begrijpen? Kan de man het aan dat zijn vrouw meer gaat verdienen dan hij?

Voor mij persoonlijk is het heel belangrijk dat ik word vrijgelaten om mezelf te ontwikkelen, te groeien in een relatie. Je loopt natuurlijk altijd de kans dat je elkaar ontgroeit maar als je van elkaar houdt, gun je elkaar die groei. Accepteer je het feit dat de groei niet altijd gelijk op gaat en dat je elkaar af en toe op sleeptouw moet nemen. Als je dat allebei kunt accepteren kom je denk ik een heel eind.

Afhankelijkheid is er ook tussen het baasje en het dier. Waarbij vaak het dier afhankelijker lijkt dan het baasje. Als het dier verwaarloosd wordt en geen eten krijgt of mishandeld wordt ja dan is dat zo, maar gelukkig gaat het in de meeste gevallen anders en dan is het waarschijnlijk een van de stabielste relaties die je kunt hebben. Baasje geeft hondje eten, drinken, een aai, loopt er mee, gooit een bal, betaald kapitalen aan de dierenarts maar krijgt daar iets heel moois voor terug; onvoorwaardelijke liefde! Of je nu je door de tijd heen, dik, kaal, depressief, werkloos, ziek of oud wordt het beestje blijft je vrolijk begroeten, iedere ochtend!

 

Dit is een bijdrage van gastschrijver Anoushka Rood

Mama, ik houd van jou

Geplaatst op: 3 oktober 2011 door Frank Stolker in Thema: Relaties
Tags:, , ,

Relaties zijn belangrijk in mijn leven. Ze geven mij het gevoel dat ik leef en dat die ander en ik er toe doen. Ze zijn daarnaast leerzaam en helpen mij ont-wikkelen. Regelmatig wordt mij een spiegel voorgehouden waarna ik mij nog meer bewust word van wie ik ben, wat ik doe en waarom. Hoe intens en hecht een relatie wordt, hangt mede af van de ander, een soort actie-reactie. De ene relatie is intenser en hechter dan de andere.

Sommige relaties zijn latent aanwezig. Niet direct waarneembaar aan de oppervlakte maar diep van binnen wel voelbaar. Zo’n relatie – of beter: verbinding – heb ik met mijn moeder. Deze verbinding is anders dan de andere. Eén die gebaseerd is op onvoorwaardelijke liefde.

Thuis praatte ik nooit veel; woorden moesten regelmatig uit mij getrokken worden. Ik was ook geen gemakkelijke puber, denk ik. Ik vond natuurlijk dat mijn moeder zeurde. Ze was erg beschermend en vond al gauw iets niet verstandig of zag de nodige beren op de weg. Ze bemoeide zich overal mee, zo ervoer ik dat. Af en toe leek het of ik een soort haat-liefde verhouding met haar had. Ik heb niet veel diepgaande gesprekken gevoerd.  Ik voelde me snel onbegrepen, vooral als het een gevoelskwestie betrof. Wat ik echt voelde – als ik me daar al bewust van was en het óók nog kon benoemen – hield ik voor me.

De laatste jaren van mijn moeder’s leven is er veel veranderd. Door haar slopende ziekte werd ze fysiek steeds zwakker maar ik voelde dat onze band juist sterker werd. Het was niet zo dat we opeens veel gingen praten maar dat was ook niet nodig. Zelden hadden we nog ruzie over een goed bedoeld advies of een – in mijn ogen – belerende preek. De ene keer nam ik het in mij op en de andere keer legde ik het terzijde. Maar ze is en blijft mijn moeder, de eerste vrouw in mijn leven, en daar had en heb ik diep respect voor. Dat besef kwam meer en meer.

In haar laatste levensfase heb ik vaker geprobeerd duidelijk te maken dat ik van haar houd. Ik vond dat van kinds af aan altijd moeilijk. Heel raar, want wat is er nou moeilijk aan om te zeggen dat je van je moeder houdt? Soms lukte het me niet haar dat direct te zeggen, maar deed ik het via een sms achteraf, als ik weer onderweg naar huis was.

Op haar sterfbed – in de ochtend – heb ik in haar oor gefluisterd dat ik van haar houd en dat ze mocht ‘gaan’. Ik voelde dat ze me hoorde en daarna rustig is heengegaan. ’s Avonds heb ik haar een sms gestuurd en daarin geschreven dat ik van haar houd. Ik had de behoefte om dit nogmaals te zeggen, op mijn vertrouwde manier. Als extra bevestiging en hopende dat dit aardse bericht haar hoog boven mij zou bereiken, op één of andere manier.

Laatst bekeek ik een fragment van een oude ‘Super 8’ film die mijn moeder een aantal jaren geleden op DVD heeft laten zetten. Ik zag mezelf als 3-jarig jongetje gehurkt aan de rand van een peuterbad zitten, met mijn moeder veilig aan mijn zijde. Het intense verdriet wat mij bij het zien van dit beeld overviel, zegt alles over onze onbreekbare verbinding; ze is er niet meer, op het oog, maar ook weer wel, diep van binnen.  Mama, ik houd van jou.

Verre vrienden?

Geplaatst op: 30 september 2011 door Lucas Bezembinder in Thema: Relaties
Tags:, , , , , , , , ,

Als tiener verslond ik boeken met titels als; ‘Waren De Goden Kosmonauten’, ‘Het Roswell Incident’ en ‘Zij Kwamen Van Andere Planeten.’ Op mijn pick-up draaide ik ondertussen ‘Calling Occupants of Interplanetary Craft’ van Klaatu. Ik was er niet alleen van overtuigd dat er leven elders in het heelal was, maar ook dat wij er hier op Aarde bezoek van hadden ontvangen. Zeker gezien het feit dat er meer sterren aan de hemel staan dan dat er zandkorrels op aarde zijn. Daar moeten sterren tussenzitten waar een planeet als de onze omheen draait. Op sommige van die planeten zal het leven nog heel jong zijn, maar op andere ook veel ouder. De kans dat hier intelligent leven tussen zit, is dan wel erg groot. Enkele van die intelligente buitenaardse wezens hadden zeker hun planeet verlaten op zoek naar buren. Op hun zoektocht zijn zij dan ook zeker hier belandt. Om het mysterieuze Atlantis te bevolken, om de Egyptenaren te helpen met de bouw van hun piramides, om landingsbanen aan te leggen bij Nazca in Peru en om rondvliegend in UFO’s ons in de gaten te houden.

Toen ik die laatste plaats tijdens mijn studententijd zelf bezocht was ik al veel sceptischer. De landingsbanen waren weliswaar alleen vanuit de lucht zichtbaar. Een luchtballon bleek echter een goed alternatief voor de ruimteschepen van von Däniken. Ook veel andere theorieën hielden dankzij mijn toegenomen kennis geen stand. Zo verdween het buitenaardse leven langzaam uit mijn aandachtsveld. Naar films als E.T., War of the Worlds en Independence Day keek ik allang niet meer zo geïnteresseerd als ooit naar Close Encounters of the Third Kind. Ik zag ze meer als ‘Westerns van de toekomst’.

Het lijkt er echter op dat de laatste tijd het buitenaardse leven wetenschappelijk weer meer in de aandacht staat. Op Mars worden er steeds vaker aanwijzingen gevonden dat daar leven is of is geweest. Datzelfde geldt voor een enkele maan rond Jupiter. Het gaat hier weliswaar niet om intelligent leven, maar het maakt de eenzaamheid van het Aardse leven al stukken minder. Als er in ons afgelegen zonnestelsel al op meerdere plekken leven is, dan is volgens de statistiek de kans groot dat er elders misschien zelfs intelligent leven is.

Sommige wetenschappers gaan zelfs verder. In het vakblad Acta Astronautica bespreken onderzoekers van de Pennsylvania State University verschillende scenario’s van ontmoetingen met familie van E.T. Heel bizar is hun waarschuwing aangaande het broeikaseffect. Het kan namelijk maar zo dat er buitenaardsen zijn die ons al iets langer in de gaten houden en zich zorgen maken hoe de mens met de aarde omspringt. Op het moment dat de opwarming van de aarde in hun ogen uit de hand loopt, kan het maar zo dat zij besluiten om aan ‘faunabeheer’ te gaan doen. Om de rest van de natuur te redden moet de mens dan misschien wel het veld ruimen. Hoewel dit vergezocht lijkt, raden de wetenschappers aan om verantwoord om te gaan met onze buren hier op aarde. Opdat hun verre vrienden ze niet hoeven te komen helpen.