Op straat

Geplaatst op: 24 oktober 2011 door Geert van den Munckhof in Thema: Relaties

‘Op straat’ is het verhaal van gastschrijfster Uta Halbreiter.
Ze legt de relatie tussen het verhaal zelf en het ontstaan ervan.

Op straat

En de sta je dan, met je hele hebben en houden op straat. Je zet je oude fiets in de gang van je nieuwe woning, en zoals hij daar staat, tegen de muur waarop nog het behang van de vorige bewoners plakt herken je hem bijna niet. Wat zijn de handvatten versleten… Niks nieuwe start, als je al je oude spullen meeneemt.

Op straat ga je verder met het uitladen van de laatste verhuisdozen. “TROEP” had je in haastige hanenpoten op het karton gekrast nadat je al je spullen had opgeborgen en ineens een woord moest verzinnen om op de dozen te schrijven. Zo doe je dat toch als je verhuisd? Je schrijft erop wat erin zit, zodat je op het nieuwe adres alles gelijk op de juiste plaats kunt zetten. Ook al ben je nog niet eens zeker dat het nieuwe adres de juiste plaats voor jou is. Toen leek “TROEP” grappig om erop te schrijven. Nu heeft het iets triests: Je hebt zeven dozen met troep uit je oude leven mee genomen. En veel meer dan die zeven dozen en je oude fiets heb je goed beschouwd ook niet.

Je, wie is dat eigenlijk, hoor je je ineens vragen, stilletjes, in je hoofd. Maar luid genoeg om er niet omheen te kunnen. Wie is “je”? Je ziet je spiegelbeeld in de viese ruit van het woonkamerraam. Ramen lappen zou je nu ook moeten leren. Nooit gedaan. Nooit gedacht ook dat je´t ooit zou moeten doen. Je, wie is dat toch? De vraag blijft door je hoofd spoken. En je kijkt nog eens naar het raam, vluchtig eerst, verlegen bijna, totdat je echt kijkt. En jezelf ziet, een man van begin veertig, spijkerbroek, t-shirt, sportieve schoenen – al bijna 40 jaar is dit de buitenkant van je je. Alleen die oude kop bovenop, die is pas van de laatste jaren. Het haar dat steeds minder lijkt te worden en de rimpels die steeds meer lijken te zijn. Je ziet je daar staan, in de vieze ruit van je nieuwe woning. Dat ben ik, denk je.

Achter je fietst een blonde vrouw door het spiegelbeeld in de ruit, een leeg kinderstoeltje op haar fiets en je kijkt haar na. Vrouw met kind, dan maar niet. Alhoewel, zij kan ook gescheiden zijn, net aan een nieuw leven beginnen net als jij. Het schiet je zo maar door je hoofd. Zo ben je gewoon. Je kijkt, je denkt – of juist niet – en ineens zie je je aan tafel zitten met die vrouw en haar kind. En zo is het weer over. Een gedachte, meer niet.

Op weg naar binnen zie je je fiets weer in de gang staan. Nog geen minuut later zit je erop, fiets je door de nieuwe omgeving van je nieuwe leven, dat helemaal niet zo nieuw zal zijn. Je hebt behalve zeven dozen troep en je oude fiets ook jezelf mee genomen uit je oude leven. Dus, wat verwacht je eigenlijk?

Hoe langer je fietst, hoe verder je je verwijdert van je nieuwe woning, van de verhuizing, van alles, hoe dichter je bij jezelf komt. Op een gegeven moment draaien alleen nog maar je voeten op de pedalen, niet meer de gedachtes in je hoofd en ben je eindelijk alleen met jezelf. Je bent een man op een fiets. Dat is wat je bent. Je fietst. Dat is wat je doet. Niet meer en niet minder.

Je fietst inmiddels over een kronkelig stuk landweg en weet allang niet meer waar je eigenlijk bent. Er zullen wel ooit weer borden komen die de weg terug naar jouw nieuwe woonplaats wijzen. En als je nu gewoon doorfietst? Die gedachte ken je. Van jaren geleden, toen je als 8-jarige jongen woedend thuis weg was gefietst na een ruzie met je moeder. Je boosheid in de trappers stampend had je je voorgesteld hoe het zou zijn als je nooit meer terug kwam. Dat je moeder iedere avond zou huilen als zij jouw leeg bedje zag. Toen ging je zo op in jouw medelijden voor je ouders dat je uiteindelijk terug fietste. Dat was toen. Met een klap besef je hoe anders de situatie nu is: Je zou gewoon door kunnen fietsen. Niemand die je zal missen. Je ex, je vrienden, je broer – allemaal zullen ze hun eigen leven verder leven. Na een tijdje zou jij niet meer zijn dan een apart verhaal dat ze aan iemand vertellen die ze nu nog niet kennen.

De ontdekking brengt je in de war. Voor wie en wat fiets je eigenlijk weg als je alleen maar jezelf ermee raakt? Jezelf, die je toch overal en altijd weer tegen komt, hoe hard je ook fietst. Jezelf, waarvan je nog steeds niet weet wie dat eigenlijk is. De gedachten zijn weer terug en draaien door je hoofd, net op het moment dat ook weer borden langs de weg opduiken. Je bent dichter bij huis dan je denkt. Nog even doortrappen en je bent thuis, of ja, wat ervoor door moet gaan. Je zet je fiets in de gang tegen de muur en scheurt met het stuur een stukje van het behang los. Je staat daar maar en kijkt er naar. Het eerste teken van een herinnering aan jou in deze woning. Het raakt je. Een stuk behang. Het moet niet gekker worden.

 

Op straat (het ontstaan van het verhaal)

Net mijn dochter succesvol bij de peuterspeelzaal afgeleverd hebbend, fiets ik – de hond aan de riem – een bocht om en zie in een flits een man, een busje en een fiets. Die is aan het verhuizen, denk ik. Waarom zich juist deze indruk aan me opdringt, is me later een raadsel: De man had volgens mij ouderwetse wielrenhandschoenen aan, hij wilde waarschijnlijk gewoon ff fietsen. Er waren geen verhuisdozen te zien, het busje stond er waarschijnlijk gewoon geparkeerd. Maar dit denk ik allemaal pas later. Op de fiets voel ik alleen maar: Dit is een begin van een verhaal. Een man en een fiets. Hij verhuist, alles is nieuw, alleen zijn fiets niet. Maar die ziet er wel anders uit in zo´n nieuwe omgeving… Leuk, dit wordt dus een verhaal over verandering, over een nieuwe start in een leven. Wat voor leven? Was hij getrouwd? Heeft hij kinderen? Hoe is het zo ver gekomen dat hij alleen – want zo ver is het verhaal me inmiddels duidelijk – gaat wonen? Terwijl de hond rent en ik fiets proef ik de verschillende mogelijkheden van het verhaal.

Weer thuis lees ik in de VPRO-gids een stukje over een Chileense regisseur die het belangrijk vindt om zijn acteurs – en kijkers – in het ongewisse te laten over het verleden van zijn karakters. „Daar moet iedereen zelf maar een eigen invulling aan geven“, zegt Pablo Larraín, want anders „… hoef je als kijker niets meer te doen. Dan weet je alles al.“ Dat is mooi. En lekker makkelijk ook: Mijn man krijgt geen verleden. Hij verhuist. Waarom? Vul zelf maar in.

Ik hak het begin van het verhaal in de computer en denk de hele dag na over wat er verder zal gebeuren. Ik kijk in gedachten nog eens bij het busje, bij de man. Wat zit in zijn verhuisdozen? Wie helpt met verhuizen? Heel even zijn ze met z´n drieen, heeft hij een koelkast op marktplaats gekocht, die het niet doet, zodat zijn vrienden uiteindelijk eerder afhaken, want warm bier… Nee, toch maar terug naar de man, geen vrienden, geen koelkast, geen afleiding.

Wie is die man, vraag ik me af. Ineens vraagt hij zich dat zelf af. Ziet zijn spiegelbeeld in de ruit van zijn nieuwe woning. En ziet een vrouw met een kinderstoeltje op haar fiets voorbij fietsen, dat ben ik. Heel even wordt hij afgeleid van zijn vraag – en ik van zijn verhaal – dan denkt hij verder en ik ook. „Wie ben ik?“, klinkt een beetje afgezaagd. Wie is „je“? Dat klinkt al stukken beter. Het „je“, wat is dat eigenlijk? Als Duitse ben ik nog steeds niet helemaal aan het frequente gebruik van dit kleine woordje in het Nederlands gewend. Lijkt me leuk om het nu een keer in een verhaal te achterhalen.

s´Avonds in bed lees ik nog een stukje in het boek van Esther Gerritsen dat ik af en toe stuksgewijs aan het herlezen ben. Steeds maar één of twee pagina´s, om er langer wat aan te hebben, zo prachtig is het. En zo compact: zo veel moois op zo weinig pagina´s. Terwijl ik het wegleg schiet me ineens het begin van het boek weer te binnen: het verhaal over het „je“. Oooooh, zou ik mijn idee voor de vraag „wie is je?“ hier vandaan hebben???

De volgende dag wil ik verder schrijven, moet ik verder schrijven, de deadline dringt. Maar ik blijf hangen. Wat moet er nu gebeuren? Ik heb een man, een fiets, een verhuizing. Ik heb een levensvraag. En nu? Ja, zie hier maar uit te komen. Het idee is te mooi om het te veranderen. Maar iets moet er gebeuren, het is nog geen verhaal. Ik herlees het begin nog een keer en ineens is alles duidelijk: De fiets moet weer terug in het verhaal. Hij gaat fietsen. En terwijl de man kilometers op de fiets maakt, maken mijn hersenen, mijn vingers op de toetsen regel voor regel aan. Dit wordt mooi. Dit is it. Hij verdwaalt, hij herinnert, hij vindt de weg terug, hij komt aan. Ineens is er dat stuk behang, los gescheurd door zijn fiets. En er is die zin: Het moet niet gekker worden. En nu eindigen.

Nee, dat kan toch niet, met zo´n zin? Toch moet het nu even, want er moet ook gekookt en gegeten worden. Na het eten, met de kinderen in bed, blader ik bij een kopje koffie door de krant. Blijf bij een stukje over Sergio Caballero hangen, filmmaker en hyperactieve duizendpoot die voor zijn creativiteit alleen op zijn gevoel afgaat. Na het lezen van het stuk over zijn compleet verschillende activiteiten ben ik beduusd, maar weet een ding zeker: Mijn gevoel klopt. Juist met die zin is mijn verhaal af.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s